De rituelen rondom begraven, in het dialect, de grove

Historische Kring Wederden

De begrafenis van C. Kuysten, hoofd van de lagere school te Ypelo in 1943. Met de lijkwagen getrokken door een paard dat was afgedekt met een rouwkleed. De lijkwagen was eigendom van de lijkwagenvereniging.

Het nabuurschap waar een lokale uitvaartvereniging op stoelt, heeft zijn oorsprong op het platteland in grote delen van Nederland.
De agrarische bevolking had een heel stelsel van ongeschreven regels, die nauwkeurig omschreven wie aan wie welke hulp moest verlenen. In Twente heette dit noaberschop (met de o vooraan) en in Noord- en Oost-Nederland naoberschap (met de a vooraan). Het komt neer op burenhulp, waarbij deze buren echt op elkaar konden rekenen. Er waren verschillende graden. Je kon noodnoaber zijn, waarbij je acuut te hulp kon worden geroepen, of gewone noaber. Bij alle gelegenheden waarbij hulp nodig was, zoals bij geboorte en overlijden, kwamen deze noabers onmiddellijk in actie. Een soort verzekering in natura dus. Geld of goederen kwamen er niet aan te pas, het was gewoon dat men zo voor elkaar zorgde. Mensen waren vaak al vanaf hun geboorte lid van een uitvaartvereniging, als een vanzelfsprekendheid. Vanaf hun zeventiende of achttiende jaar gingen zij contributie betalen.

Als iemand overleed werden onmiddellijk de naaste buren in kennis gesteld, desnoods midden in de nacht. De vijf buren aan weerszijden waren gewoonlijk noaberplichtig. Zij regelden al het nodige, ongeacht hun verhouding tot de overledene of het kerkgenootschap waar zij lid van waren. De familie van de gestorvene had geen plichten.

De noabers namen dus alle taken op zich en dat waren er nogal wat. Het ‘aanzeggen’, het mondeling bekendmaken van het overlijden, de aangifte op het gemeentehuis, maar ook het wassen en in de kist leggen van de overledene. De plaatselijke timmerman maakte de kist met de hand, meestal van hout dat op de hielde werd bewaard en gereed lag. Door de noabers werd ook een graf gegraven op de begraafplaats. De kist werd op een boerenwagen naar de begraafplaats gebracht, tenzij je rijk was, dan huurde je een lijkkoets. Dan kon je ook een graf kopen, terwijl arme mensen een plekje toegewezen kregen. De lijkstoet volgde te voet, of er werd gebruik gemaakt van koetsen, of de kerbrik zoals op de foto te zien is...

De buren droegen de kist naar het graf, maar niet altijd rechtstreeks. Onder leiding van de grafdelver werd er op bepaalde plaatsen drie keer met de zon mee om de dodenakker gelopen. Later gingen de mensen drie hoeken om, één voor de Vader, één voor de Zoon en één voor de Heilige Geest. Dan volgde de eigenlijke teraardebestelling en daarna kwamen de mensen nog even bijeen op de begraafplaats of in een geschikte ruimte. Bij de boerenbevolking werd de nagrove op de deel gedaan. Daar waren familie van de overledene bij en de noabers zorgden voor het regelen van koffie en brood. Ter afsluiting werd er ook in sommige gevallen een borrel geschonken.
Ook de verdere afwerking van de begrafenis was anders. Het graf werd gedicht en dan kwam er een zogenaamd grafrek op te staan, of een dodenhuisje. Daar kwam voor de periode van rouw een kleed overheen. Dat werd het ‘afdekken van het graf’ genoemd. Dit gebruik bestaat nog steeds.
Het meer dan honderd jaar oude fenomeen van de lokale uitvaart leeft nog steeds. Een uitvaartvereniging kan voor dragers zorgen als er geen buren of familieleden zijn die dat kunnen of willen en ook de kleding voor de dragers wordt beschikbaar gesteld. Soms vervult een bestuurder de rol van eerste aanspreekpunt.
Tegenwoordig hoeft de bode van de vereniging niet meer door het dorp te gaan om het overlijden te melden en de begrafenis aan te kondigen. Rouwkaarten worden nog wel verstuurd, maar er gebeurt heel veel via sociale media. Condoleren kan bijvoorbeeld digitaal.

Het is niet meer vanzelfsprekend dat mensen lid worden van een uitvaartvereniging. Jongeren kennen het gebruik niet meer zo en zijn minder geïnteresseerd. Hierdoor bestaan ook de besturen vaak uit oudere mensen.