Familie Ooms van Moordrecht naar Notter (deel 2)

Historische Kring Wederden

Arie Ooms leest dagelijks de krant en de vakbladen.

Arie Ooms – geboren in Notter op 15 november 1937 – stamt af van Hollandse pioniers die een eeuw geleden in het Notterveld bij Wierden neerstreken. Zijn voorouderlijke boerderij bouwde hij uit tot modern gemengd bedrijf met melkvee en verbouw van aardappels. In 1959 trouwde hij met Hannie Bartelts – geboren in Wierden op 13 november 1938 – met wie hij twee zoons en een dochter kreeg. Zoon Hans heeft hen inmiddels opgevolgd. Arie en Hannie wonen nog altijd in een bungalow naast het bedrijf.
“In mijn beleving waren de boeren in Overijssel redelijk vooruitstrevend. Ze zijn wat terughoudend, even de kat uit de boom kijken, maar als het erop aankomt nemen ze vrij gauw een beslissing. Of ze meegingen met bepaalde ontwikkelingen was ook afhankelijk van of je al dan niet een bedrijfsopvolger hebt en of er uitbreidingsmogelijkheden in de omgeving zijn. Hoeveel stadsboeren telde Overijssel vroeger wel niet? Neem Kampen bijvoorbeeld, maar ook middenin Wierden en Rijssen zaten vroeger boeren. Al die ontwikkelingen komen op de boer af en daar tegenover moet hij zijn houding bepalen.”
De ontwikkelingen verschillen per streek. De boeren langs de IJssel bijvoorbeeld hadden vanouds een voorsprong, omdat ze betere kwaliteit gronden hadden. “Maar dat zegt niet alles. Boeren die hun gebouwen en grond in eigendom hadden en vanuit het verleden gewend waren veel met personeel te werken, daar zijn er niet zoveel van overgebleven. Een pachter moet er elk jaar voor zorgen dat er pacht op tafel komt. De grote boeren op de betere gronden waren vaak paardenliefhebbers. Ze waren druk met paarden fokken, keuringen en dat soort zaken. Dat gaf status. Het andere werk had een lagere prioriteit. Pachters waren doorgaans minder paardenmensen dan eigenaren. Het pachtstelsel prikkelt de ondernemingszin, zoals werken met vreemd kapitaal de beste ondernemers voortbrengt.”
“In mijn jeugdjaren was onze boerderij gemengd met akkerbouw, rundvee en wat varkens en kippen. De verhouding tussen gras- en bouwland was ongeveer half om half. Mijn vader stond aanvankelijk op het standpunt dat hij niet meer dan vijftien koeien wilde melken, want dan kon je het in het weekend nog samen af. Totdat in 1962 de eerste melkmachine kwam. Toen kon het aantal koeien uitbreiden. Door de ontwikkelingen zijn de kippen en varkens in de loop van de jaren verdwenen. We hadden een stuk of dertig varkens in de oude schuur. Mijn vader zei: 'Wat verdienen we er nu aan? We hebben er een hoop werk mee. We kunnen ze beter wegdoen.' Toch is op ons bedrijf het gemengde karakter van rundvee en akkerbouw tot vandaag de dag gebleven. Ontmenging en specialisatie biedt schaalvoordelen, maar uit het oogpunt van risicospreiding is het beter als je er een andere tak bij hebt. Een gemengd bedrijf geeft wat meer bedrijfszekerheid. Als het één wat minder is dan het ander, kun je wat compenseren. De akkerbouw zelf is bij ons wel ontmengd. Vroeger verbouwden we graan, voederbieten en aardappelen. Nu alleen nog aardappelen en snijmaïs voor de koeien. Aardappels vormen een vrij zekere teelt.”