Wierdense kerkenraadszaken anno 1715 en 1728 (deel 1)

Historische Kring Wederden

De toren van de Hervormde Kerk te Wierden getekend door Jan Jans.

Over het algemeen zijn kerkenraadszaken geheim. Toch is het soms interessant er wat van gewaar te worden. En af en toe gebeurt dat ook, maar dan moet er zich wel wat bijzonders voorgedaan hebben. Dat was twee maal het geval in de tijd dat Jan Egberts Dasselman vanaf 16 augustus 1691 tot circa 1730 ouderling was in de Hervormde Kerk te Wierden. Het rumoer in de kerk van toen betrof hem niet persoonlijk, maar toch heeft Jan Egberts in een toen lopend kerkelijk rechtsproces als getuige zijn stem moeten laten horen. En die (schriftelijke) getuigenverklaring is bewaard gebleven en nu nog te vinden in het Rijksarchief te Zwolle.

De twee zaken speelden respectievelijk in 1715 en 1728, met een nasleep tot in 1738. Het ging in beide gevallen over het gebruik van de 'heeren- en damesbancke' in de kerk te Wierden. Die bank behoorde aan de Graaf van Almelo. Deze Heer van Almelo bezat namelijk lange tijd bepaalde rechten in kerkelijk Wierden. Zo had hij toen behalve de eigendom van een speciale herenbank ook het recht in voorkomende gevallen een nieuwe predikant voor Wierden te beroepen. Oudtijds had zijn voorgeslacht namelijk gelden ter beschikking gesteld voor de kerkbouw en het levensonderhoud der kerkelijke functionarissen in Wierden.
De bewoners van Huize Almelo hadden behalve in de kerk te Wierden ook een speciaal gestoelte in de kerk te Almelo. Die kerk was voor hen veel dichterbij, zodat zij wel bijna nooit gebruik zullen hebben gemaakt van hun 'bancke' in Wierden. Zo zal het voorname graaflijk gestoelte in Wierden, staande tegen de muur van het koor der kerk, grotendeels leeg zijn gebleven. Wel zaten daarin de schout en zijn vrouw, de scholtinne, van Wierden, min of meer namens de Heer van Almelo.

Groot rumoer in de kerk in 1715
Aan het begin van een dienst in 1715 ontstond groot rumoer in de kerk toen een zekere Sophia Meijers uit Wierden (van het erve De Meijer) 'stoutelijck' de vrijmoedigheid nam zo maar in de bij het graaflijk gestoelte behorende 'vrouwenbancke' plaats te nemen, naast de scholtinne van Wierden, vrouw Hesselinck (Hesseling?) (Maria Wolter Smith, kwartiernummer 293, de latere oud-overgrootmoeder van Roelof Dasselaar en de andere Dasselaars van ’t Waanders op ’t Hexel). Ten aanhoren van de gemeente ontstond tussen beide vrouwen een heftige woordenwisseling. Vrouw Hesselinck riep dat alleen zij zich de rechtmatige vertegenwoordigster van de Heer van Almelo mocht noemen en dat zij samen met haar man (dat was Jan Hesselinck, kwartiernummer 292, de latere oud-overgrootvader van Roelof Dasselaar en de andere Dasselaars van ’t Waanders op ’t Hexel), de door de Graaf aangestelde schout van Wierden, toestemming had de dienst in de 'heerenbancke' bij te wonen.
Het werd een hooglopende ruzie. Men bleef elkaar het weerwoord niet schuldig, iedereen in de kerk kon het horen. Sophia liet zich 'er niet uitstoten' en er werden veel 'buitenissigheden en foliën' (gekke woorden) tussen de dames gewisseld. Naderhand werd de strijd aldus beslist, dat schout Jan Hesselinck voor de volgende zondag een schriftelijk bewijs van de Heer van Almelo verkreeg, dat alleen hij en zijn 'eheliefste' (echtgenote) het recht hadden van de gravenbank gebruik te maken. Daarop bleef de dienst voorlopig ongestoord. In de kerkenraad en in de gemeente zal er echter nog lang daarna over gesproken zijn.

Cees Hoogendijk