De historie van de katholieke kerk in Enter (II)

Algemeen

Joannes Zwijsen, aartsbisschop van Utrecht van 1853 tot 1868 die de parochie Enter canoniek oprichtte in 1855.

In een aantal afleveringen vertelt Johan Altena over de historie van de katholieke kerk in Enter. Daarbij is gebruik gemaakt van de noeste arbeid van Johan Marsman uit Wierden, die het oude archief van de parochie Enter geïnventariseerd heeft.

De nieuwe grondwet bood aan Rome de mogelijkheid de bisschoppelijke hiërarchie in de katholieke kerk in Nederland te herstellen. In 1853 diende de Paus daartoe een verzoek in bij de Nederlandse regering. Heel protestants Nederland kwam daartegen in verzet. Er werd een petitie aan de Koning aangeboden, met het verzoek te verhinderen dat er weer een katholieke machtsfactor in Nederland zou komen. Ook de protestanten in Enter ondertekenden deze petitie. Het hielp natuurlijk ook niet dat de paus in Rome in een encycliek de protestantse leer als een pest benoemde. Maar door de nieuwe grondwet kon het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie niet tegengehouden worden. De bisdommen kwamen er weer en er werden nieuwe bisschoppen benoemd. Enter viel onder het bisdom Utrecht waar ook de eerste aartsbisschop Zwijsen zetelde.

Wat de protestantse protesten wel bereikten was dat er een wet op de kerkgenootschappen kwam waarin nog wat plaagstootjes richting de katholieken werden uitgedeeld. De aartsbisschop mocht de eerste jaren niet in Utrecht wonen en de pastoors mochten buiten de kerk niet in ambtskleding lopen. In 1853 kregen katholieken in Enter een eigen kerkhof. Van G. Slag werd aan de huidige Disselsweg voor ƒ130,- een stuk grond gekocht dat als kerkhof werd ingericht. Nu konden de katholieken in gewijde grond begraven worden.
Op 2 maart 1855 werd de parochie Enter canoniek opgericht door aartsbisschop Zwijsen. Vanaf dat moment moest de bisschop aan heel veel dingen die in katholiek Enter gebeurden zijn goedkeuring hechtten.

Kaarsen hadden in de katholieke kerk een bijzondere symbolische waarde. Bij een overlijden kon je een eerste, tweede of derde klasse uitvaart bestellen. Bij een uitvaart eerste klas rouw, werd er een verzilverde kandelaar gebruikt en 36 kaarsen. Zo’n uitvaart kostte ƒ65,-. Hiervan moest de pastoor voor iedere kaars 25 cent aan de kerk afdragen en voor rouw en klokluiden ƒ7,50 en voor het koor ƒ5,-. Als je een eigen graf wilde moest er ƒ7,50 extra betaald worden en voor het recht van een kruis op het graf nog eens ƒ7,50 extra.

Bij een uitvaart tweede klas rouw werd een koperen standaard gebruikt en 28 kaarsen . Zo’n uitvaart kostte ƒ45,-. De pastoor betaalde hiervan aan de kerk voor iedere kaars 25 cent, voor rouw en klokluiden ƒ5,- en voor het koor ƒ3,-. Een eigen graf kostte ƒ5,- extra en een kruis op het graf nog eens ƒ5,-.

Bij een uitvaart derde klas rouw werden er achttien kaarsen gebruikt en kostte ƒ30,-. Hiervan betaalde de pastoor aan de kerk 25 cent voor ieder kaars plus ƒ2,50 voor rouw en klokluiden en ƒ2,50 voor het koor. Een uitvaart voor kinderen communicanten die nog geen plechtige communie hadden gedaan kostte ƒ15,- en een uitvaart voor kleine kinderen kostte ƒ3,-.

Een uitvaart eerste klas rouw begon om 8.30 uur, de overigen om 8.00 uur. Ieder half uur later kostte ƒ5,- extra.

Hoe het rijke roomse leven, zoals het genoemd werd, steeds meer vorm en inhoud kreeg lezen we in de volgende aflevering.

Johan Altena