Uit het geheugen van een Enterse

Algemeen

Op de foto staat Jenneken Velten-Leetink. Zij was getrouwd met Berend Velten (Baks) en dus de moeder van Baks Jan (1888-1984). De foto staat in het boek ‘Erfenis van Eeuwen’ van Cruys Voorbergh. De foto is gemaakt door Mies Blomsma, het boek uit uitgegeven in 1941 door de Arbeiderspers te Amsterdam.

Bakkersvrouw
Het onderschrift bij de foto vermeldt dat de vrouw een bakkersvrouw uit Enter is. “Met zekere bevalligheid in het gebaar van haar handen bepaalt ze haar houding: waardig en beminnelijk, als we haar vragen even in de zon te komen voor een kiekje.”

Ernest gaat verder: “Op iedere fietstocht komen ogenblikken voor, waarop de leegte, die zich met zacht knorren onder de maag voelbaar begint te maken, door niets zo volkomen gevuld wordt, als door een vers krentenbroodje. Wij bemerkten die leegte toen wij in Enter aankwamen en achter de glazen broodjes zagen prijken in een bakkerswinkel. Daaruit woei ons de goede reuk van vers brood ons tegemoet. Bollen, mikken, stoeten, broden of hoe ter wereld ze nog mogen heten, vertoonden er hun betrouwbare gedaante van korst en kruim. De winkelbel klingelde toen we de zandige plavuizen betraden in de keurige, kleine zaak. Maar wat een prachtige bakkersvrouw dook daar uit het achterhuis op. Wat een bastion van rustige zekerheid en gezond verstand. Vermoedelijk al lang grootmoeder maar net zo weinig oud in de deprimerende betekenis van het woord, als de mikken en stoeten, die elke morgen vers zijn en waar ze bij hoorde. We zakken neer op de blauwgeverfde bank aan de muur tegenover de toonbank in de kleine winkel, waar het blijkens deze accommodatie aardig vol kan lopen. Of is het een invitatie om even te blijven plakken en te kletsen? Krent voor krent peuzelen we ons krentenbroodje op en met listige vragen het oude mens uit haar tent lokkend. Dat kost minder moeite dan we veronderstellen, want over drie rozijnen en een sukadetje zitten we midden in de zwaarste staathuishoudkundige en ethische problemen, die voor haar helemaal geen problemen zijn. Zoals zij de dingen ziet en zegt wordt alles onbegrijpelijk eenvoudig en misschien zijn ze dat ook wel. ‘Ik geloof er niets van dat er te veel mensen op de wereld zijn’, zegt ze, rustig opruimend, wat er aan de toonbank op te ruimen valt en ik verwacht een oplossing, die zo eenvoudig is als wat ze daar doet. ‘Als iedereen maar stond, waar hij staan moest, dan was er nog ruimte over’. Zij staat waar ze hoort, dat kun je zien. Vrouw van de bakker, op een kleine plaats: moeder en grootmoeder is ze, niets meer en niets minder. Het krentenbroodje is op. Of zij even mee zou willen gaan naar buiten in de zon? ‘We wilden graag een kiekje maken van uw muts’. ‘Dat is best’, stemt ze toe, ‘maar dan zet ik even een schone op’. Met beloken koketterie in de fijne schikking van de oude handen bepaalt ze voor het toestel haar houding. Stellig en charmant op de wijze van haar geslacht, waarvan ook zij, blijkbaar, het kostelijk geheim kent. Vrouw durft ze te zijn, huisvrouw en moeder en waarlijk dochter van Eva ... die de appel wist te presenteren.”

Anneke Koers